Continuïteitsparagraaf

In de continuïteitsparagraaf wordt inzicht gegeven in de belangrijkste ontwikkelingen voor de komende jaren. Deze ontwikkelingen zijn vertaald in een meerjarenbegroting. De meerjarenbegroting 2016-2018 is ontleend aan de planning & control cyclus. De meerjarenbegroting is op 10 maart 2016 besproken met de auditcommissie van de raad van toezicht en goedgekeurd in de vergadering van 22 maart 2016 door de raad van toezicht.

Deelnemersgegevens

Op basis van een terugkoppeling van het Ministerie van OCW van het aantal deelnemers per 1 oktober 2015 is de verwachting dat het aandeel in de landelijke deelnemerswaarde voor het 2017 bijna 1,83% zal zijn en daarmee vrijwel gelijk blijft aan het jaar 2016. Voor het bekostigingsjaar 2018 wordt eveneens rekening gehouden met een aandeel van ongeveer 1,83% in de landelijke deelnemerswaarde. Vanaf 2015 is er een afzonderlijk macrobudget voor enerzijds entreeopleidingen (niveau 1) en anderzijds niveau 2 tot en met 4 opleidingen. In kalenderjaar 2013 waren in verhouding veel deelnemers ingeschreven voor de opleiding basisoperator (niveau 1), waardoor het aandeel in het macrobudget entreeopleidingen met 2,44% in het jaar 2015 incidenteel hoger was dan gebruikelijk. In 2014 is het aandeel sterk gedaald naar circa 1,50%. Voor de prognose 2017 en 2018 wordt, op basis van de terugkoppeling van het ministerie van OCW, rekening gehouden met een aandeel in het macrobudget Entreeopleidingen van circa 1,70%. Het aandeel in de exploitatievergoeding voor opleidingen niveau 2 – 4 is naar verwachting minder volatiel en wordt ingeschat op een aandeel van circa 1,84% in het landelijk budget voor de jaren 2016 tot en met 2018.

Prognose 2015 Prognose 2016 Prognose 2017 Prognose 2018
Aandeel in exploitatievergoeding entreeopleidingen 2,45% 1,49% 1,69% 1,70%
Aandeel in exploitatievergoeding opleidingen niveau 2 – 4 1,87% 1,84% 1,84% 1,84%
Aandeel instelling in budget 1,89% 1,83% 1,83% 1,83%

Personeelsgegevens

Het aantal deelnemers van het Graafschap College heeft direct invloed op het aantal medewerkers in het primaire proces (onderwijzend personeel) en indirect op de omvang van ondersteunend en beheerspersoneel. Het aantal deelnemers van het Graafschap College heeft normaliter direct invloed op het aantal medewerkers in het primaire proces (onderwijzend personeel) en indirect op de omvang van ondersteunend en beheerspersoneel. Niettemin bepalen de beschikbare middelen en daarvan afgeleid de beschikbare formatiebudgetten grotendeels de omvang van het personeelsbestand.

Het macrobudget voor exploitatie en huisvesting (lumpsum) is in vergelijking met 2015 voor het jaar 2016 met bijna € 136 miljoen naar beneden bijgesteld. Daarnaast  moet voor het jaar 2017 rekening worden gehouden met een korting op het macrobudget van ongeveer € 90 miljoen grotendeels veroorzaakt door de taakstelling ‘macrodoelmatigheid in het mbo’ en de invoering van Ov-kaart voor het mbo. Voor 2018 wordt rekening gehouden met een oploop naar circa € 112 miljoen.

Tegenover de verwachte bezuinigingen op de (macrobudget) normatieve rijksbijdrage van in totaal bijna € 250 miljoen in 2018 ten opzichte van 2015 staat een toename van het prestatieafhankelijk budget kwaliteitsafspraken van circa € 175 miljoen, waarvan zoals eerder vermeld voorzichtigheidshalve 50% is opgenomen in de meerjarenbegroting van het Graafschap College.

Rekening houdend met een aandeel van het Graafschap College van circa 1,84% betekent dit een verwachte afname van de structurele beschikbare middelen van circa € 3,0 miljoen (1,83% x (€ 250 miljoen -/- 50% van € 175.000)) in 2018 ten opzichte van het jaar 2015 en gerekend tegen het loon- en prijspeil van 2015. Op grond van het financieel beleid van het Graafschap College dient jaarlijks 2% van de totale baten (circa € 1,4 miljoen) te worden gereserveerd als (netto) resultaat. Het college van bestuur heeft, gebruikmakend van de hardheidsclausule in het financieel beleidsplan, dit percentage voor de komende jaren op 1% gesteld waardoor er ongeveer € 0,7 miljoen extra (formatie)budget beschikbaar komt voor de sectoren.

In de begroting voor het jaar 2016 is per 1 augustus, aanvang van het nieuwe schooljaar en formatieplan, rekening gehouden met een afname van de formatie van circa 33 fte. Gedurende de periode januari tot en met juli 2016 is de formatie vrijwel gelijk aan dat van de periode augustus tot en met december 2015, conform het formatieplan 2015-2016.

Vanuit (strategische) personeelsplanning gezien is een daling van het aantal personeelsleden per 1 augustus 2015 van 33 fte niet verstandig en wenselijk te noemen. Het college van bestuur is voornemens om de sectoren tegemoet komen met een overgangsbudget gedurende een periode van 24 maanden, ingaande 1 augustus 2016 en eindigend derhalve op 31 juli 2018. Het voorstel is om voor het schooljaar 2016-2017 een overgangsbudget toe te kennen voor 20 fte en voor het schooljaar 2017-2018 10 fte. De sectoren krijgen hierbij de opdracht om per 1 augustus 2018 de omvang van de formatie weer passend te maken binnen een sluitende (sector)begroting.

Het college van bestuur heeft becijferd dat de extra lasten die samenhangen met het overgangsbudget passen binnen een sluitende begroting. Voor het begrotingsjaar 2016 is nog ruimte binnen het collegebeleid. Voor de jaren 2017 en 2018 wordt enerzijds gebruik gemaakt van de ruimte binnen het collegebeleid en wordt anderzijds gebruik gemaakt van de hardheidsclausule in het financieel beleid door het nettoresultaat voor deze jaren op nihil te stellen.

Aantal medewerkers Graafschap College in fte
1-1-2016 1-8-2016 1-1-2017 1-8-2017 1-1-2018 1-8-2018
Management/directie 38 38 38 38 38 38
Onderwijzend personeel 502 489 489 480 480 471
Overige medewerkers 167 167 167 166 166 165
Totaal 707 694 694 684 684 674

Meerjarenbegroting

Hierna is de geconsolideerde balans en de geconsolideerde staat / raming van baten en lasten tot en met het jaar 2018 opgenomen. De gegevens zijn ontleend aan de geconsolideerde meerjarenbegroting 2016 – 2018 van Stichting BVE Oost-Gelderland. De meerjarenbegroting is in het voorjaar van 2016 geactualiseerd.

geconsolideerde_balans2015_18

Toelichting geconsolideerde balans 2015-2018

Huisvestingsbeleid

Momenteel is een nieuw meerjarenhuisvestingsplan in voorbereiding. Op basis van het huidige plan, dat in oktober 2008 is opgesteld en jaarlijks is geactualiseerd, is in de afgelopen jaren een aantal uitbreidingsinvesteringen in huisvesting gerealiseerd. De grootste investering hiervan betreft de nieuwbouw van het schoolgebouw aan de Maria Montessoristraat te Doetinchem met een totale investering van circa € 16,8 miljoen. Daarnaast is geïnvesteerd in de hoofdlocatie aan de Slingelaan te Doetinchem voor in totaal circa 5,9 miljoen.

Een groot bouwtraject met oplevering in 2018 betreft de bouw van onderwijsruimte nabij Sportpark Zuid en de nieuwe Tophal met in totaal circa 4.600 m2 bruto vloeroppervlakte en een investering van bijna € 12,0 miljoen. De oplevering is gepland op 1 juli 2018. Per 1 oktober 2018 zal de huurovereenkomst voor het gebouw aan de Houtmolenstraat 9 te Doetinchem en de Grutbroek 17 te Doetinchem worden opgezegd.

Financieringsstructuur

De verschillende vermogensonderdelen binnen de geconsolideerde balans zijn grotendeels gefinancierd met eigen vermogen en voor een deel (lening van € 9,0 miljoen) met vreemd vermogen. De Stichting BVE Oost-Gelderland beschikt ultimo 2015 over een saldo aan liquide middelen van bijna € 37,3 miljoen. Deze liquide middelen zijn ruimschoots voldoende om het toekomstige grote bouwproject, zoals beschreven onder huisvestingsbeleid, te kunnen financieren zonder vreemd vermogen aan te hoeven trekken.

Mutaties en reserves en voorzieningen

De komende jaren worden er nauwelijks mutaties verwacht in zowel de algemene reserves als in de bestemmingsreserves, doordat er voor de komende jaren een nettoresultaat is geraamd van ongeveer nihil. Er zijn daarnaast geen concrete voornemens om een toevoeging dan wel een onttrekking te doen aan de bestemmingsreserve (publiek).

De komende jaren worden er nauwelijks mutaties verwacht in de voorzieningen hetgeen is in lijn met de ontwikkeling in de afgelopen jaren.

geconsolideerde_staat_raming2015_18

Toelichting geconsolideerde staat/raming van baten en lasten 2015-2018

Budgettair kader normatieve rijksbijdrage (macrobudget)In de tabel is op grond van de Rijksbegroting 2016 en informatie van de MBO Raad het macrobudget voor mbo-instellingen voor de jaren 2015 tot en met 2018 opgenomen.

macrobudget

De rijksbijdrage voor het middelbaar beroepsonderwijs werd verdeeld over de instellingen op basis van het aantal deelnemers en diploma’s op grond van verschillende verdeelsleutels. Het landelijk beschikbare macrobudget voor de bekostiging van het beroepsonderwijs werd tot en met het jaar 2014 onderverdeeld in drie deelbudgetten, te weten:

  • Exploitatiebudget (opgesplitst in een deelnemersbudget (80%) en een diplomabudget (20%);
  • Voa-budget (budget voor voorbereidende en ondersteunende activiteiten);
  • Huisvestingsbudget.

Vanaf het jaar 2015 is er sprake van één macrobudget exploitatie en huisvesting onderverdeeld in een budget voor Entreeopleidingen (niveau 1) en een budget voor opleidingen op niveau 2 – 4.Met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel ‘Passend onderwijs’ per 1 augustus 2014 is de indicatiestelling voor leerlinggebonden financiering (LGF) afgeschaft. De vergoeding voor passend onderwijs valt vanaf dat moment onder de normatieve rijksbijdrage OCW en de niet-geoormerkte subsidie leerlinggebonden financiering is komen te vervallen.Na een gestage groei van het aantal deelnemers in de afgelopen jaren en daarmee van het aandeel in de landelijke deelnemerswaarde is de verwachting dat het aandeel in de landelijke deelnemerswaarde en diplomawaarde zich de komende jaren zal stabiliseren rond een percentage van circa 1,83%.

Regeling kwaliteitsafspraken mbo

Met ingang van het jaar 2015 is de ‘Regeling kwaliteitsafspraken mbo’ van toepassing voor onderwijsinstellingen in het mbo. Voor 2015 is maximaal € 190,4 miljoen beschikbaar voor het investeringsbudget. Voor 2016, 2017 en 2018 wordt de definitieve hoogte van de bedragen voor het investeringsbudget jaarlijks bekend gemaakt in de Staatscourant.

Het resultaatafhankelijke deel (nu alleen vsv) wordt per 2016 uitgebreid met het thema studiesucces. Daarvoor is in 2016 een bedrag van € 99 miljoen gereserveerd. Vanaf 2017 is voor het resultaatafhankelijke budget € 58 miljoen extra gereserveerd voor de kwaliteit van de bpv als een valide indicator is ontwikkeld die een rechtmatige bekostiging mogelijk maakt. In totaal is voor 2017 en 2018 € 174 miljoen gereserveerd (exclusief het resultaatafhankelijke vsv-budget).

De verdeling van het investeringsbudget naar de onderwijsinstellingen, behoudens het deel dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie, volgt voor 2/3 deel de systematiek van de lumpsumbekostiging. Voor 1/3 deel wordt het budget verdeeld naar rato van het aantal deelnemers op niveau 2. Het deel van het investeringsbudget dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie wordt volgens de lumpsumsystematiek verdeeld. Het college van bestuur heeft besloten om voor het jaar 2015 de helft van het beschikbare investeringsbudget aan de begrotingen van de sectoren toe te kennen en de andere helft van circa € 1,7 miljoen aanvullend beschikbaar te stellen in de komende jaren. Dit is mogelijk omdat het een meerjarige (2015 – 2018) subsidie betreft. Bovendien kunnen er op deze manier eerst keuzes gemaakt worden in het 1e halfjaar van 2015 om op grond hiervan voor het tweede halfjaar middelen beschikbaar te stellen. Van het (variabele) prestatieafhankelijk budget is voor de prognose van 2017 en 2018 voorzichtigheidshalve 50% opgenomen van het maximaal beschikbare bedrag.

Contractactiviteiten

Het aandeel van de contractactiviteiten (baten werk in opdracht van derden) bedraagt in 2015 circa 2,5% van de totale baten. Voor de komende jaren is rekening gehouden met een aandeel van circa 2% aan private activiteiten.

Personele bezetting

Zoals op deze pagina onder ‘personeelsgegevens’ aangegeven, zal de personele bezetting gelijk aan de beschikbare middelen vrijwel constant zijn in de komende jaren. Met name door de extra middelen op grond van de ‘Regeling kwaliteitsafspraken mbo’ neemt het totale budget aan rijksbijdragen (normatieve rijksbijdrage OCW en overige subsidies OCW) in jaren 2016 en 2017 toe met ongeveer € 0,5 miljoen. Op grond hiervan is rekening gehouden met een toename van het aantal docenten met 6 fte ten opzichte van het jaar 2015. Tegenover de toename van de rijksbijdragen OCW wordt vanaf het jaar 2016 rekening gehouden met een daling van het bedrag aan overige overheidsbijdragen en -subsidies met ruim € 0,2 miljoen en daaraan gekoppeld een daling van de docentformatie met 3 fte.

Huisvesting

Bij de toelichting op (geconsolideerde) balans 2015 – 2018 zijn de voorgenomen majeure bouwprojecten en de financiering daarvan nader toegelicht. Met name het tweede grote bouwtraject nabij Sportpark Zuid betreft een verschuiving van gehuurde huisvesting naar huisvesting in eigendom. Ondanks deze overgang is het aandeel huisvesting in gehuurde panden voldoende om ingeval van teruglopende baten (gehuurde) panden af te kunnen stoten. Zo kan worden voorkomen dat het Graafschap College in een situatie terecht komt van (langlopende) huisvestingsverplichtingen zonder structurele financiële dekking.

Intern risicobeheersings- en controlesysteem

Het interne risicobeheersings- en controlesysteem moet onder andere de realisatie van doelstellingen bewaken, de financiële verslaggeving betrouwbaar doen zijn en wet- en regelgeving doen naleven. Het college van bestuur is verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitbouw van dit systeem en voor de beoordeling van de effectiviteit er van. Het college van bestuur onderkent het belang van een goede opzet en werking van het interne risicobeheersings- en controlesysteem. Het interne risicobeheersings- en controlesysteem zal in de komende jaren worden uitgebouwd en gecompleteerd. Onderdelen van het interne risicobeheersings- en controlesysteem zijn momenteel:

  • De planning- en control cyclus:
    De concretisering van en operationalisering van met name de strategische doelen wordt jaarlijks uitgewerkt in de kaderbrief, waarin de strategische keuzes worden omgezet naar te bereiken resultaten per jaar en waarmee het
    college van bestuur de kaders aangeeft voor de jaarlijkse begrotingen. Door middel van kwartaalrapportages vindt monitoring en evaluatie van de resultaten plaats. Daarnaast is de meerjarenbegroting, opgesteld voor een periode van 5 jaar en jaarlijks geactualiseerd, inmiddels structureel ingebed in de planning & control cyclus. Naast het strategisch beleid vormen onder andere de meerjarendeelnemersprognose, het meerjarenformatieplan en het
    meerjarenhuisvestingsplan input voor de meerjarenbegroting.
  • Interne controle van bekostigingsgegevens:
    De bekostigingsgegevens bepalen in belangrijke mate de hoogte van de rijksbijdrage. Het is daarom belangrijk dat de juistheid van de bekostigingsgegevens wordt vastgesteld. Jaarlijks vindt er vanuit de sector Bedrijfsvoering een (interne) controle plaats op de deelnemers- en diplomagegevens aan de hand van een representatieve steekproef.
    Basis voor de te controleren items vormt het onderwijsprotocol OCW/EZ.

Het interne risicobeheersings- en controlesysteem wordt door de instellingsaccountant gecontroleerd en deze rapporteert over zijn bevindingen in:

  • Managementletter tussentijdse controle accountant:
    Via de managementletter rapporteert de accountant over de bevindingen en mogelijke verbeterpunten in de bedrijfsvoering en processen die zij hebben onderzocht en van belang achten voor het management, met als doel een bijdrage te leveren aan het zelf controlerend vermogen van het Graafschap College.
  • Verslag accountantscontrole:
    Via het accountantsverslag rapporteert de accountant omtrent de uitkomsten van de accountantscontrole van de (geconsolideerde) jaarrekening van Stichting BVE Oost-Gelderland en bekostigingsgegevens. Het college van bestuur en de raad van toezicht worden geïnformeerd over de belangrijkste aandachtgebieden en bevindingen in de controle.

Organisatie brede risicoanalyse

In het jaar 2014 is met een brede delegatie uit de organisatie (college van bestuur, sectordirecteuren, diensthoofden, opleidingsmanagers, sectormanagers en docenten) nagedacht over interne en externe risico’s. In dit kader heeft het college van bestuur een externe partij gevraagd om een workshop risicomanagement uit te voeren waarin op basis van onderkende risico’s wegingen worden toegekend om vervolgens een eerste aanzet te geven omtrent  beheersmaatregelen. Dit is een extra bouwsteen voor het door ontwikkelen van risicomanagement binnen het Graafschap College.Ten behoeve van de risicoanalyse zijn de volgende stappen doorlopen:

  • Voorbereiding voor de workshop. In de voorbereiding is in overleg met het college van bestuur en het hoofd van de dienst Financiën en control het risicoregister opgesteld en gevalideerd. Hierbij zijn de strategische doelstellingen als uitgangspunt genomen. Het risicoregister bevat alleen die risico categorieën die de realisatie van de strategie van het Graafschap College kunnen bedreigen.
  • Plenaire risicoanalyse workshop. Het doel van de plenaire workshop is om tot een risico profiel te komen voor het Graafschap College. Voor de categorieën uit het risico register zijn de deelnemers gevraagd individueel te stemmen op kans en impact.
  • Plenaire terugkoppeling van de resultaten. De resultaten zijn in januari 2015 gepresenteerd aan alle deelnemers. Tijdens deze terugkoppeling zijn voornamelijk de top 6 risico’s besproken.

Tijdens de plenaire workshop is door de deelnemers gestemd op de kans dat een risico zich voordoet in de komende vijf jaar en de impact wanneer het risico zich voordoet. In onderstaande tabel zijn de gemiddelde scores opgenomen van alle deelnemers.Voor zowel het wegen van de kans als van de impact is een 5-punts schaal gehanteerd. Bij de kans betekent een score van 1 hoogst onwaarschijnlijk en een score van 5 bijna zeker. Bij de impact betekent een score van 1 insignificant en een score van 5 betekent kritisch.

Top 6 risico-analyse Graafschap College
Rank Risico Kans gemiddeld Impact gemiddeld Kans x impact gemiddeld
1 Politieke afhankelijkheid (landelijk en regionaal) 3,8 4,0 14,8
2 Personeelsformatie 3,3 3,9 12,7
3 Reputatie/imago 3,3 3,7 12,0
4 Organisatie inrichting 3,3 3,5 11,4
5 Kwaliteit van medewerkers 3,0 3,9 11,4
6 Interne communicatie 3,3 3,4 11,2

Risico’s en onzekerheden

In het algemeen kan worden gesteld dat de algemene reserve van voldoende omvang is om eventuele tegenvallers in de toekomst op te kunnen vangen. Het weerstandsvermogen bedraagt ultimo 2015 circa 89% en ligt daarmee ruimschoots boven de norm van 40%, welk percentage als ruim voldoende wordt gezien. Niettemin worden de volgende risico’s en onzekerheden onderkend met een meer financieel impact:

  • Doelmatige leerwegen en modernisering bekostiging
    In juni 2013 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel ‘Doelmatige leerwegen en modernisering bekostiging’ aangenomen. Naast aanpassing van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) is het Uitvoeringsbesluit WEB (UWEB) aangepast; in dat besluit is de bekostiging concreet uitgewerkt. De bekostigingssystematiek in het mbo blijft een systeem waarbij een landelijk budget (het macrobudget) verdeeld wordt op basis van aantallen deelnemers en diploma’s: het verdeelmodel. Elke instelling ontvangt dat deel uit het macrobudget dat overeenkomt met haar aandeel in het totaal van aantal ingeschreven studenten en het aantal afgegeven diploma’s. Het aantal factoren dat van invloed is op zowel de deelnemerswaarde als de diplomawaarde is echter toegenomen. Bij de bepaling van de deelnemerswaarde is naast de deeltijdfactor, de prijsfactor en de correctiefactor voor de tweede teldatum een wegingsfactor voor de verblijfsjaren van een student in het mbo, aangeduid als cascade, toegevoegd. Bij bepaling van de diplomawaarde wordt naast het niveau van de opleiding vanaf het bekostigingsjaar 2015 een aftrek toegepast voor eerder behaalde diploma’s; alleen met de ‘toegevoegde’ diplomawaarde wordt gerekend. Door de toename van het aantal factoren bij de bepaling van zowel de deelnemerswaarde als de diplomawaarde neemt de voorspelbaarheid af of anders gezegd de onzekerheid toe bij de prognose van de normatieve rijksbijdrage voor de komende jaren. Een daling van de deelnemerswaarde van het Graafschap College van slechts 1% bij een gelijkblijvende landelijke deelnemerswaarde heeft al een afname van de rijksbijdrage tot gevolg van circa € 0,5 miljoen.
  • Resultaatafhankelijke budget kwaliteitsafspraken mbo
    De beschikbare middelen op grond van de regeling kwaliteitsafspraken mbo bestaan uit een investeringsbudget en een resultaatafhankelijk budget. In totaal is voor deze regeling een macrobudget beschikbaar voor de jaren 2015 tot en met 2018 van ruim € 400 miljoen per jaar, waarvan ruim € 210 miljoen voor het resultaatafhankelijke deel. In tegenstelling tot het (vaste) investeringsbudget is het resultaatafhankelijke budget een variabel budget dat jaarlijks achteraf wordt vastgesteld en uitgekeerd. Op basis van het aandeel van het Graafschap College in het landelijk budget is jaarlijks maximaal circa € 3,9 miljoen (€ 210 miljoen x 1,85%) beschikbaar. Theoretisch gezien kan dit variabele budget echter uitkomen op nihil indien niet wordt voldaan aan de vooraf vastgestelde normen. Voor het prestatieafhankelijke deel van de kwaliteitsafspraken is in de (meerjaren)begroting voorzichtigheidshalve 50% opgenomen van het maximaal beschikbare bedrag. Dit betekent voor de komende jaren een bedrag van circa € 2,0 miljoen. De werkelijke prestatieafhankelijke bijdrage kan, ondanks of ten gevolge van de gehanteerde voorzichtigheid van 50%, fors afwijken van het begrote bedrag.
  • Educatiegelden
    De minister van OCW geeft aan dat de roc’s gedurende de afbouwperiode (2015-2017) nog een wettelijke taak hebben om educatieopleidingen aan te bieden, afhankelijk van de behoefte in de regio. Na 2017 komt deze wettelijke taak te vervallen en wordt derhalve de verplichte besteding bij roc’s losgelaten. In 2013 bedroeg het totaalbedrag aan educatiegelden nog bijna € 1,4 miljoen. Voor het jaar 2014 is het budget voor het Graafschap College bijna € 0,7 miljoen. Als overgangsbekostiging voor het jaar 2015 is het educatiebudget verdeeld naar rato van 2014. Het budget wordt geleidelijk afgebouwd met 25% per jaar. In 2015 bedraagt het budget 75% van het
    huidige budget en in 2018 is er geen budget meer voor overige educatie. De contactgemeente en het roc kunnen ook een andere afbouw afspreken.
  • Demografische gegevens
    Ten behoeve van deelnemersprognoses voor het beroepsonderwijs maakt het Graafschap College gebruik van de (regionale) prognose bevolkingsopbouw 2007-2040 van het CBS. Hieruit blijkt dat de groep 15-20 jarigen in de regio Achterhoek tot aan 2020 in aantallen vrijwel gelijk blijven. In de periode 2020-2035 zal deze groep naar verwachting met bijna 20% afnemen. Daar het merendeel van onze deelnemers valt in de groep 15-20 jarigen, dienen we vanaf 2020 rekening te houden met een krimp in deelnemersaantallen. Dit heeft gevolgen voor de bekostiging en, daaraan gekoppeld, met name voor het personeels- en huisvestingsbeleid van het Graafschap College in de komende jaren.
  • Personeel
    De afgelopen jaren heeft het Graafschap College te maken gehad met een gestage groei van deelnemers. Hieraan gekoppeld is ook het aantal personeelsleden de afgelopen jaren toegenomen. Doordat jaarlijks extra personeel is aangenomen met in eerste instantie een tijdelijk dienstverband, is er sprake van een ruime flexibele personele schil. De verwachting is dat het huidige aantal deelnemers de komende jaren niet of nauwelijks zal stijgen. De huidige tijdelijke arbeidsovereenkomsten zullen de komende jaren overgaan in vaste dienstverbanden. Door bezuinigingen van de overheid op grond van het wetsvoorstel macrodoelmatigheid en de hiervoor genoemde demografische invloeden op de wat langere termijn, ontstaat het risico dat er vaste dienstverbanden ontbonden moeten worden met wachtgeldverplichtingen tot gevolg. Naast het hiervoor genoemde (financiële) risico ontstaat er op termijn een kwaliteitsrisico. Het personeelsbestand vergrijst waardoor de komende jaren een grote uitstroom van oudere medewerkers wordt verwacht met kennisverlies als gevolg. Daarnaast ontstaat het risico dat door schaarste op de arbeidsmarkt vacatures niet (tijdig) kunnen worden vervuld.